Om alle inhoud te kunnen zien hebt u de actuele versie van Adobe Flash Player nodig.

Home Toneelstukken Agenda Leden  Geschiedenis Nieuws 110-jarig jubileum Foto show 2019 De Bokskampioen 2018 Het laatste loodje 2018 Tussen de happen door 2018 Het brandt achter de hemelpoort 2017 Ik moet Moesker even hebben 2016 Het doek gaat op voor moord 2015 Een kus van een Rus 2014 Hotel op stelten 2013 Moord tot de dood erop volgt 2012 Alles uit, behalve het licht  2011 Tom, Dick en Harry  2010 Klucht van mooie Jan  2010 Het zit in de familie  2009 Goed geschoten  2008 Klucht met de waschkuip  2008 Motie van wanorde  2007 Tel uit je winst  2006 Het Cornflakes complot  2004 Hotel op stelten  2001 Mij niet gezien  2001 Een drukte van belang  Affiches Donateur worden Adressen Contact Gastenboek vervallen 

Geschiedenis

De Bedumer Rederijkerskamer Thalia werd op 27 november 1901 onder het motto “ons leven is leeren” opgericht. Het initiatief tot de oprichting werd genomen door J.W.Braam, onderwijzer aan de openbare lagere school in het dorp. De twee zangverenigingen die Bedum destijds rijk was, ‘Aurora” en “Crescendo”, waren door de plotselinge opkomst van de fanfarekorpsen aan het eind van de negentiende eeuw veel leden kwijtgeraakt. De laatst overgebleven leden besloten de zangverenigingen op te heffen en in de plaats daarvan een rederijkerskamer op te richten, om zo toch iets aan “cultuur” te kunnen doen. De doelstelling van Thalia was “het beoefenen van de welsprekendheid” door het houden van voordrachten in de Nederlandse taal en het opvoeren van toneelstukken. Op de eerste vergadering werd besloten een advertentie in het “Nieuwsblad van het Noorden” te plaatsen om nieuwe leden te werven. Niet iedereen werd echter tot Thalia toegelaten. Om lid te kunnen worden moest men door iemand die dat al was, worden voorgedragen, men liet zich “voorhangen”, en werd aan “ballotage” onderworpen. Alleen wanneer een tweederde meerderheid van de leden akkoord ging werd de “voorgehangene” als lid toegelaten. Een enkele keer gebeurde het dat iemand als lid werd geweigerd. Thalia was een elitair liberale vereniging, die onder haar leden enkele vooraanstaande Bedumer “dames en heeren” maar ook boerenfamilies kende. Onder de eerste “werkende” leden waren liberaal-vrijzinnige families als Lijfering, Aalfs, Klippius en Godfried goed vertegenwoordigd, terwijl bij de “kunstlievende” leden (donateurs) de namen van de hervormde dominee S.L.Lofvers, de artsen R.H.Boerma en R.J.Vink, gemeenteraadslid en steenfabrikant J.M.Hopma en het hoofd van de openbare lagere school P.Holthuis stonden vermeld. Onder de leden waren geen gereformeerden, katholieken en arbeiders. Om de onderlinge band tussen de leden te versterken werd in 1903 besloten insignes te kopen, terwijl ook het zingen van het in 1913 door de hervormde dominee I.Busch Keizer geschreven Thalia-lied de “clubgeest” moest versterken. In de regel werd één keer in de maand vergaderd, waarbij per toerbeurt door een aantal leden voordrachten werden gehouden, die door een recensiecommissie werden beoordeeld. De mooiste voordracht van de avond werd in het “cahier” van de kamer opgenomen. Eén maal per jaar gaf Thalia tijdens de zogenaamde feestelijke vergadering een publieke uitvoering, waarbij enkele toneelstukken werden opgevoerd. De entreeprijs voor de eerste uitvoering in 1902 bedroeg f. 0,50, terwijl gedurende een aantal jaren de generale repetitie als “volksvoorstelling” voor een dubbeltje toegankelijk was voor het “gewone volk”. Nadat Thalia zich in 1902 bij het Provinciaal Groninger Rederijkersverbond had aangesloten, werd ook deelgenomen aan de provinciale concoursen. De eerste jaren alleen met voordrachten., want voor het opvoeren van een toneelstuk op het concours zou de kwaliteit van de leden nog onvoldoende zijn. Na het eerste enthousiaste begin ging het met Thalia toch minder voorspoedig dan was gehoopt. Veel van de eerste leden en ook bestuursleden bedankten al snel en de vergaderingen werden slecht bezocht. In 1903 werd daarom besloten een boetesysteem in te voeren en moest bij afwezigheid en te laat komen een dubbeltje worden betaald. Een probleem ontstond toen in 1911 gelijk met een vergadering van Thalia een avonddienst in de hervormde kerk werd gehouden, waardoor een aantal leden te laat kwam. De penningmeester wilde hen de boete laten betalen, maar na hevige protesten werd besloten dat “kerkgaan” als geldige reden te beschouwen. Ook over de kwaliteit van de voordrachten en het toneelspelen werd veel geklaagd. Zo hadden enkele spelers volgens voorzitter A.Veldkamp bij de uitvoering in 1911 een heel stuk tekst overgeslagen. Ook secretaris Aalfs maakte zich in het jaarverslag van 1912 zorgen over de kwaliteit. “(…) we moeten waken, want er zijn elementen onder de leden die er bepaald van uitgaan de vergaderingen als een pretje te beschouwen, in plaats van het nuttige daaraan te verenigen”Toch waren er ook positieve geluiden. In zijn gebruikelijke dankrede na de uitvoering van 1913 constateerde dominee Busch Keizer dat Thalia vooruit was gegaan en “ook het kussen ging heel natuurlijk”.Eerste Wereldoorlog in 1914 leverde voor Thalia de nodige problemen op. Door de mobilisatie ontstond “een gebrek aan, heeren” en kon de uitvoering in 1914 niet doorgaan, terwijl door “te geringe krachten” in 1916 niet aan het provinciale concours kon worden meegedaan. Er was ook een tekort aan kunstlicht en Aalfs stelde daarom voor om bij de uitvoering iedereen een kaars te laten meenemen. “Maar dit werd algemeen meer geschikt geacht voor een onderonsje dan voor een publieke uitvoering”. Na de oorlog bleef de crisis binnen Thalia aanhouden; het ledental was in 1923 tot 13 gedaald, vergaderingen werden slecht bezocht en voordrachten werden vrijwel niet meer gehouden. Zoals zo vaak in de geschiedenis van Thalia kroop de vereniging ook dit keer weer uit het dal omhoog en in 1928 was de Bedumer rederijkerskamer met 40 leden de grootste in de provincie. De jaarlijkse uitvoering in het eigen dorp was in de jaren twintig steeds een groot succes. Veel bijval oogstte de opvoering in 1921 van “de Walfridus-legende” als tableau-vivant. Het applaus gold met name voorzitster G.Holthuis, “die door haar innig ontroerend en diep gevoeld spel, iets heeft gegeven, dat ons innerlijk gevoelsleven raakte”. Het werd in de jaren twintig en dertig traditie om naast andere stukken ook een blijspel in het Gronings dialect op te voeren. Voor de “importleden” was dit niet altijd even gemakkelijk. Zo deden zich bij het repeteren van het stuk “Al verzegd” enkele problemen van taalkundige aard voor “daar een der leden een meer verfijnd dialect als “moedertaal” bleek te bezitten dan de originele Bedumers”. Toch lag het doel van de rederijkerskamer niet in het bevorderen van het dialect, zo meende voorzitster Holthuis.“Wij Groningers, (…), kunnen niet genoeg beseffen hoe nuttig en noodig het is ons te oefenen in de Nederlandsche taal, die dikwijls voor ons zulke groote moeilijkheden oplevert”. De in Bedum wonende kunstschilder Riekele Prins hielp in 1927 bij het maken van decorstukken en kreeg daarvoor een enveloppe met 5,- voor het kopen van schilder benodigdheden. Van tijd tot tijd voelden de bestuurleden zich genoodzaakt er op te wijzen dat Thalia geen “feestvereniging” was en dat het “nuttige” voorop moest blijven staan. Voor velen was gezelligheid echter de belangrijkste reden om de vergaderingen te bezoeken. Na het afwerken van de voordrachten werden meestal snel de stoelen en tafels aan de kant geschoven en werd er een dansje gemaakt. Naast dansen was ook “notenschieten” een geliefde bezigheid van de Thalianen en enkele leden stelden in 1934 bij het begin van een vergadering voor om gelijk maar met het “notenschieten” te beginnen. Feestelijk hoogtepunt was jaarlijks de twee weken na de uitvoering gehouden nafuif, die meestal aanzienlijk beter werd bezocht dan de gewone vergaderingen. IJspret en een partijtje tennis werden door de leden vaak boven een bezoek aan de Thaliavergaderingen verkozen. Aan de slechte opkomst werd in 1932 een extra vergadering besteed. Velen waren van mening dat “naast de kunst eenig plezier” moest worden geboden en de verplichte voordrachten moesten worden afgeschaft. Er werd besloten de pauzes wat langer te maken, zodat er meer ruimte voor gezelligheid zou komen. Het mocht niet baten. Slechts een kwart van de leden bezocht in 1936 nog de vergaderingen. Thalia behoorde in Bedum duidelijk tot wat de vrijzinnig liberale of “neutrale” zuil kon worden genoemd. Er bestonden goede banden met andere “neutrale” verenigingen, zoals het muziekkorps “Concordia”, de gymnastiekvereniging “LOVA”, het Bedums Gemengd Koor en de Bedumer Lawn Tennisclub. Leden van deze verenigingen kregen in 1931 ook gratis toegang bij de uitvoering van Thalia. Aankondigingen van uitvoeringen en ledenwerfacties verschenen in het “Vrijzinnig Weekblad” en niet in het gereformeerde blad “De Bedumer”. Hoewel enkele jaren ook een “volksuitvoering” voor de “arbeidende stand” werd gegeven, bleef Thalia een elitair gezelschap. Naar aanleiding van een openbare voordrachtenavond in 1921 merkte secretaris Aalfs op “dat een avond als deze eigenlijk alleen geschikt is voor intieme kring”. Overigens voorkwam de ballotage dat mensen uit de “lagere” kringen lid van de vereniging werden. Nadat de Duitsers op 1 september 1939 Polen waren binnengevallen, vroegen enkele leden van Thalia zich af of het met het oog op de internationale spanning wel gepast was om dat jaar een uitvoering te geven. De uitvoering ging gewoon door en ook in het spannende voorjaar van 1940 werd gewoon door vergaderd. “In deze zenuwenoorlog moeten we vooral de ontspanning niet vergeten”, zo werd gezegd. Ook onder de Duitse bezetting bleef er volgens voorzitster R.H. Lijfering voor Thalia een belangrijke taak te vervullen.“Ze geeft te kennen dat het in deze tijd ons streven moet zijn, onze taal zuiver te houden en onze eenheid te bewaren, zodat de gebrachte offers niet tevergeefs zullen zijn. Hierbij memoreert ze het sneuvelen van P.Westers, wien wij allen kennen.” Thalia ging dus door, maar wilde het provinciaal concours, dat in 1940 in Bedum zou worden gehouden, vanwege “de gewijzigde omstandigheden” niet door laten gaan. Het Provinciaal Groninger Rederijkersverbond vond echter dat het concours gewoon door moest gaan en achteraf werd het, ook door de secretaris van Thalia een zeer geslaagd concours genoemd. In het jaarverslag over 1940 sprak de secretaris van een goed jaar voor Thalia en in 1941 werd normaal het veertig jarig bestaan gevierd. Het aantal leden groeide in datzelfde jaar van 27 naar 35. De nationaal-socialisten lieten echter ook de Groninger rederijkerskamers niet met rust. Zij eisten dat de rederijkers zich bij de op de nationaal-socialistische beginselen gebaseerde Kultuurkamer zouden aansluiten. Het Provinciaal Groninger Rederijkersverbond sloot zich inderdaad bij de Kultuurkamer aan, maar bij Thalia gaven enkele leden te kennen daartegen bezwaar te hebben. Op de over dit punt belegde buitengewone vergadering stelde de voorzitster voor om Thalia tijdelijk op te heffen en zich niet bij de Kultuurkamer aan te sluiten. Een lid merkte echter op dat in deze moeilijke tijden de rederijkerskamer nog iets feestelijks had en dus beter door kon gaan, ook al moest men zich dan bij de Kultuurkamer aansluiten. Bij stemming over het voorstel van de voorzitster staakten de stemmen, met als resultaat dat Thalia zou blijven bestaan.Toen meerdere leden te kennen gaven in dat geval als lid te zullen bedanken, werd alsnog besloten de vereniging “voorlopig” op te heffen. Twee maanden na de bevrijding kwam Thalia weer bijeen en “(…) met een groot vertrouwen in de toekomst beginnen wij opnieuw met frisse krachten".Een probleem was echter hoe de vereniging van “foute” leden moest worden gezuiverd. NSB-ers werden geroyeerd, maar hoe moesten lichtere gevallen worden beoordeeld, zoals zij die slechts omgang met Duitsers hadden gehad. Er werd daarom besloten aan alle leden een brief te sturen met de vraag of men lid van Thalia wilde blijven of niet. Gehoopt werd dat de omstreden leden de eer aan zichzelf zouden houden.Net als in de politiek en andere delen van de samenleving was de bevrijding volgens mejuffrouw H.J.Slagter een goede gelegenheid om met enkele verouderde gebruiken binnen Thalia te breken. Allereerst wilde zij de ballotage afschaffen en Thalia voor iedereen toegankelijk maken. Tijdelijk voorzitter R.J. van der Veen vreesde echter dat dan de “kameraadschappelijke verhouding” tussen de leden verloren zou gaan en hij werd daarbij door de meeste leden gesteund. Mejuffrouw Slagter gaf echter niet op en vroeg zich af, waarom de leden elkaar dan met “U” en “Mijnheer” aanspraken en elkaar niet bij de voornaam noemden. De voorzitter meende dat de leden zo leerden hoe zij zich op officiële bijeenkomsten moesten gedragen en wilde daarom de beleefdheidsvormen op de vergaderingen in stand houden. Thalia bleef ook na de oorlog een elitaire en liberale club en de donateurs waren nog altijd voornamelijk vooraanstaande Bedumers. Een bijna “revolutionaire” verandering was wel dat de dames en de heren niet langer gescheiden van elkaar zaten. Op aanraden van het bestuur wisselden in augustus 1945 enkele dames met enkele heren van plaats, “zoodat de vergadering een ongewone, doch uitermate gezellige aanblik kreeg”. In de eerste naoorlogse jaren ging het er bij Thalia serieus aan toe en de maarliefst veertig leden bezochten de vergaderingen aanvankelijk trouw. Aan de hand van een rooster waar strak de hand aan werd gehouden, moest elk lid bij zijn of haar beurt een voordracht verzorgen. Dit kon een improvisatie, memorisatie of een gedicht zijn. De onderwerpen van de improvisaties en memorisaties kregen in de jaren veertig en vijftig een meer actueel karakter. Zo werd vlak na de oorlog de vraag aan de orde gesteld of Nederland wel of niet bepaalde delen van Duitsland zou moeten annexeren. Een ander actueel onderwerp was bijvoorbeeld “motorische kracht in de landbouw”. Om de voordrachten minder vrijblijvend te maken en de kwaliteit te verhogen, werd in 1947 voor de eerste maal een onderlinge voordrachtenwedstrijd gehouden. Bij de beoordeling van de voorgedragen gedichten werd gelet op de keuze van het gedicht, de houding, de opvatting van het vers, de zuivere uitspraak, klemtoon, tekstvastheid en de totale indruk die het gedicht en de voordracht maakten. Toch kreeg geleidelijk ook de gezelligheid weer meer aandacht. Vanaf 1952 werd het notenschieten weer in ere hersteld en werd er jaarlijks een speciale avond voor gereserveerd.Op grootse wijze werd in 1951 het vijftigjarig bestaan van Thalia gevierd. Veel oud-leden waren present en haalden tussen de diverse gangen van het zeer uitgebreide feestdiner oude herinneringen op. De nafuif, twee weken na het feest, had echter een wat minder prettige afloop. Net toen het hele gezelschap bezig was met “onschuldige” spelletjes als tafeltennissen, sjoelen en knikkeren, kwam de politie vertellen dat de spelletjes op last van de burgemeester moesten worden gestaakt. Het betekende het einde van de nafuif en de prijzen voor de winnaars van de spelletjes, enkele repen chocolade, werden door de penningmeester weer mee naar huis genomen. Dit tot spijt van secretaris D.R. van der Veen, “(…) want die was al vast overtuigd dat die lekkernij hem niet meer ontging”. Twee bestuursleden vroegen enkele dagen later aan burgemeester Spoelstra opheldering over het verbieden van de spelletjes. De burgemeester wees erop dat voor de nafuif geen vergunning was aangevraagd.“Er wordt veel vaker buiten mijn weten om maar iets georganiseerd en ik lees dat dan in de kranten zonder dat er vergunning is gevraagd, dat moet maar eens uit zijn”.Toen één van de bestuursleden hem vervolgens op de voorbije Duitse bezetting wees en dacht nu weer in een democratisch land te leven, meende Spoelstra dat hij van dictatoriale praktijken werd beschuldigd en wees beide Thalianen verontwaardigd de deur. Had Thalia bij het nieuwe begin in 1945 40 leden, in 1959 waren er nog maar 11 over. Niet alleen liep het ledental terug, ook de activiteit van de resterende leden liet veel te wensen over, zo constateerde de secretaris meerdere malen in zijn jaarverslag. In 1950 meende hij dat dit misschien te maken had met de oorlogsdreiging, waarmee hij op de net uitgebroken Korea-oorlog en de daarmee nauw verbonden Koude Oorlog in Europa doelde. Het waren vooral de oudere leden die bedankten, terwijl zich nauwelijks jongeren als nieuw lid aanmeldden. “Het is jammer dat niet meer jonge mensen voelen voor het verenigingsleven en in ’t bijzonder voor Thalia”, zo stond in het jaarverslag van 1952 te lezen. Ondanks het verloop onder de leden werd in 1952 voor het eerst met een beroepsregisseur gewerkt, W. van Riesen, wat al snel tot betere resultaten zou hebben geleid, maar ook zwaar op de begroting drukte. Aan het eind van de jaren vijftig verkeerde Thalia in een diepe crisis en werd zelfs de mogelijkheid van opheffing geopperd. Een ledenwerfactie, die elk lid dat drie nieuwe leden aanbracht een jaar vrijstelling van contributie beloofde, leverde weliswaar zes nieuwe leden op, maar kon de malaise niet verhelpen. Een jaar later zag Thalia voor het eerst in haar bestaan geen kans een uitvoering in Bedum te geven. Het opvoeren van een eenakter op het provinciaal concours had al te veel tijd gekost. “Het resultaat van dit concours was dat Thalia met de derde en laatste plaats genoegen moest nemen”. Thalia zou echter Thalia niet zijn wanneer ook deze crisis niet werd overwonnen. Het aantal leden ging fors omhoog en in 1964 waren er al weer 30 leden, die bovendien trouw de vergaderingen bezochten. Geleidelijk verloor Thalia steeds meer van haar deftige karakter en in de loop van de jaren zestig gingen de leden elkaar met de voornaam aanspreken. De ballotage was in de jaren vijftig al haar formele vorm kwijtgeraakt en nieuwe leden werden niet meer “voorgehangen”, maar bezochten als introducé de vergadering en konden dan zelf bepalen of ze lid werden of niet. Op vergaderingen werden weer volop voordrachten gehouden en in plaats van één werden er twee uitvoeringen per jaar in Bedum gegeven. De onderwerpen van de voordrachten leveren weer een goed tijdsbeeld op. Zo werd in 1963 na een improvisatie over televisiekijken uitvoerig over de voor- en nadelen van dit fenomeen gediscussieerd. “De conclusie was dat men zich niet door zijn toestel moet laten regeren, maar de knop moet durven omdraaien”.Ook “beatavonden”, “babyzitten” en de problemen in de Derde Wereld waren onderwerp van voordrachten. Naast de actualiteit had Thalia ook oog voor de eigen streektaal en in 1967 werd voorgesteld om weer eens een stuk in het Gronings op te voeren, zoals voor 1940 gebruikelijk was geweest. De kennis van het dialect (of taal) bleek bij de generatie van de jaren zestig echter niet erg groot, want er moesten eerst enkele deskundigen worden geraadpleegd. Een hoogtepunt in de geschiedenis van Thalia in de jaren zestig was de revue die in februari 1966 werd opgevoerd. Ook hierin werd weer ruim aandacht aan de actualiteit besteed. Zo speelden J.Oosting en G.Woudsma in de scène “Moderne jeugd” twee provo’s., terwijl in een volgende scène de televisie weer onderwerp was. Verder speelde A.Bakker een “flinke” vent, die liever niet bij moeder thuis bleef en F.Bodewes een “weduwe wesp”, die treurde om haar in een glas limonade gevallen echtgenoot. Burgemeester Lindeboom wierp zich volgens oud gebruik op als vertolker van de gevoelens van het publiek en bracht de spelers “hulde, hulde” en wees op wat voor moois die avond door de Bedumers tot stand was gebracht. Voorheen vertoonde Thalia haar kunsten als toneelclub vrijwel uitsluitend in Bedum en op het provinciaal concours. Sinds de jaren zestig gingen de Bedumer rederijkers meer op pad en traden zij ook buiten eigen dorp en gemeente op. Ook in Bedum werd een breder publiek bereikt, omdat de scheidslijnen van de verzuiling langzaam wat minder scherp werden. In 1971 schreef het gereformeerde blad “De Bedumer” een verslag van de jubileumviering van Thalia en in 1978 verzorgden de rederijkers een optreden voor de kinderen van zowel de openbare als de protestantse en katholieke school. Het provinciaal concours werd in 1964 weer eens in Bedum gehouden en blijkbaar was het nogal gezellig, “want toen de laatsten weggingen waren er al koeien gemolken”. Het was de bedoeling dat Thalia in 1972 weer het concours zou organiseren. Volgens het Provinciaal Groninger Rederijkersverbond voldeed hotel ’t Gemeentehuis echter niet aan de eisen, omdat er onder andere geen toilet achter het toneel was. De notulist van Thalia (K.P.Wouda) meldde cynisch dat hij dit ook een groot gemis vond, want “moet u ook altijd voor het opkomen zo nodig?” De nadruk kwam bij Thalia steeds meer op het toneelspelen te liggen, terwijl de animo voor het aloude rederijken meer en meer verflauwde. Het aantal voordrachtavonden beperkte zich tot één a twee per jaar en het beoordelen van de voordrachten leverde soms ook de nodige problemen op. Zo ontstond in februari 1970 een heftige discussie, omdat enkele leden meenden dat de kritiek op de door hun gehouden voordracht vaak meer persoonlijke dan inhoudelijke motieven had. Bovendien waren het vaak dezelfde leden die een voordracht hielden, terwijl zij die niet al te actief waren dikwijls het meest kritisch waren. Gezelligheid bleef bij de leden een belangrijke rol spelen en naast het notenschieten deden ook orienteringsritten en bowlingavonden hun intrede. Het aantal leden liep in de jaren zeventig langzaam terug en financieel kwam Thalia krap te zitten. Bij de viering van het zeventigjarig bestaan moesten het koud buffet en de receptie vanwege de kosten geschrapt worden. Uit bezuiniging besloot het bestuur in 1970 om het programmaboekje voor de jaarlijkse uitvoering niet zo als gebruikelijk was te drukken, maar te stencilen. Om de kas te spekken werd besloten vaker te gaan optreden en door de jaren heen werd daarmee aardig wat geld voor de vereniging verdiend. Het vijfenzeventigjarig bestaan werd in 1976 uitbundig gevierd met onder andere de revue “Thalia, of Geert keert weder”. In zijn jubileumrede oefende voorzitter G.Woudsma kritiek uit op de gemeente Bedum, die hij het ontbreken van cultuurbeleid verweet. Bovendien was Thalia, evenals andere Bedumer toneelverenigingen, niet in de gemeentegids opgenomen. “Hoe moeten de nieuwe inwoners van Bedum en omstreken dan weten van welke toneelvereniging ze lid kunnen worden”. Somber gestemd vroeg Woudsma zich in 1979 af waar het met Thalia heen zou gaan. Voordrachten werden nauwelijks meer gehouden en de vergaderingen waren niet meer dan gezellige praatavondjes geworden. Enkele leden gaven te kennen wel naar vroeger terug te willen, als de voordrachten maar niet verplicht werden gesteld. De meerderheid bleek echter het meest te voelen voor Thalia als “gewone” toneelclub. Gezelligheid en sociale contacten waren voor de leden belangrijker dan het “bevorderen van de welsprekendheid”, zoals de oorspronkelijke doelstelling van Thalia was. Toch werden in de jaren tachtig op de maandelijkse vergaderingen nog geregeld voordrachten gehouden. In principe diende elk lid minimaal één keer per jaar een beurt te vervullen, maar het kwam geregeld voor dat degene die aan de beurt was niet kwam opdagen. De feestelijke uitvoering in het “eigen” Bedum bleef het hoogtepunt van het jaar en werd meestal goed bezocht. Om reclame te maken voor Thalia werden in april en in mei 1985 “wagenspelen” opgevoerd, waarbij op een kar door het dorp werd getrokken.Over het aantal leden had Thalia weinig reden tot klagen. Het bleef in de jaren tachtig altijd ruim boven de dertig en in 1989 waren er 34 leden, 21 dames en 13 heren. Wel bleef het gebruikelijk dat de voorzitter klaagde over de slechte opkomst van de leden op de vergaderingen.Belangrijk met het oog op de toekomst was vooral de oprichting van de jeugdafdeling van Thalia in 1983. Onder leiding van oudere leden werd de jeugd de kunst van het toneelspelen bijgebracht en niet zonder succes. Zo werden diverse prijzen behaald op zowel het voor de jeugd bestemde “Kleintje Concours” als op het “gewone” concours. Bovendien was van een gebrek aan leden, zoals bij de volwassenen nog weleens voorkwam, nooit sprake. Toch werd één van de doelen van de jeugdgroep, het veiligstellen van nieuwe aanwas voor de volwassenen, niet bereikt. Hoewel in de jaren negentig een aantal jeugdigen van het eerste uur een prominente plaats innam binnen de vereniging, bleek dat voornamelijk door verhuizing en studie uiteindelijk toch afscheid van hen genomen moest worden. In 2002 werd besloten de jeugdactiviteiten voorlopig op te schorten. Door het teruglopend aantal volwassen leden lukte het niet meer voldoende begeleiding te vinden. Konden we eerder al lezen dat Thalia in de jaren zestig en zeventig steeds meer buiten Bedum ging optreden, in de laatste twee decennia werd ook een aantal malen de stap naar de zoveel besproken televisie gemaakt. Zo figureerden vele Thalianen in 1982 in een televisie documentaire van de IKON, waarbij ze meeliepen in een begrafenisstoet “oude stijl” en werkten de Bedumer rederijkers in 1994 mee aan de TELEAC cursus “beter presenteren” die in Hotel ’t Gemeentehuis, het “thuishonk” van Thalia, werd opgenomen.Dit “thuishonk” was eind jaren negentig overigens de aanleiding tot voor een ingrijpende beslissing. Omdat in voorgaande jaren door organisatorische problemen een onwerkbare situatie was ontstaan, stelde het bestuur in de winter van 1998 voor te “verkassen” naar het “Trefcentrum”. Ondanks het feit dat dit, gezien de historische banden met Hotel ‘t Gemeentehuis, bij vele leden veel emoties losmaakte, stemde een ruime meerderheid met dit voorstel in. In 2001 keerde Thalia vlak voor haar honderste verjaardag terug naar Hotel 't Gemeentehuis. Deze terugkeer was echter van tijdelijke aard. Begin 2007 moest Thalia definitief afscheid nemen van het hotel. Een nieuwe eigenaar had namelijk besloten de bovenzaal met toneel te verbouwen tot hotelkamers. Sinds het eeuwfeest schommelt het aantal Thalia leden tussen de tien en vijftien. Die zijn de laatste jaren telkens weer in staat jaarlijks een spetterende voorstelling op de planken te brengen waarbij de bezoekers aantallen alleen maar toenemen.

Een eeuw Thalia



Rederijkerskamer Thalia

De rederijkerskamer Thalia is een vereniging met een rijke geschiedenis, die na meer dan honderd jaar nog steeds flink aan de weg timmert. Zo brengen we in onze thuisbasis Bedum jaarlijks een avondvullende productie op de planken en proberen we ook buiten de gemeente grenzen één of meerdere optredens te plannen.De klassieke rederijkersactiviteiten als het voordragen van poëzie en het bespreken van proza behoren bij ons tot het verleden. We richten ons volledig op het toneelspelen. De laatste jaren kiezen we daarbij vooral voor het spelen van de betere kluchten en blijspelen. Ons doel is ons publiek plezier te geven tijdens een gezellig avondje uit. Als voorbereiding op een optreden repeteren we onder leiding van een (semi-) professionele regisseur van binnen of buiten de vereniging één- of tweemaal per week in het Trefcentrum te Bedum. Daarbij proberen we niet alleen een goed stuk neer te zetten, maar bovenal veel plezier te hebben in waar we mee bezig zijn. Het gezamenlijk drinken van een borrel na de soms best inspannende repetities hoort er dan ook zeker bij.Kortom: Thalia is na ruim honderd jaar een b(l)oeiende vereniging waar een ieder, zowel voor als achter de schermen, veel plezier zal beleven!

Onze voorstellingen worden mede mogelijk gemaakt door:Richard van der MaarMarcel Meijerink HypothekenHoeksema PrintPlus BedumPrimera de Gele KlapEngberts GlazenwassersTrefcentrum BedumHotel 't Gemeentehuis